Fatalisme is geen realisme

Wat heeft het voor zin om met Nextcloud aan de slag te gaan als je laptop op Windows draait en de spelregels van besturingssystemen, app-stores en cloudplatforms worden bepaald door een handvol grote technologiebedrijven? Een variant op deze vraag hoor ik vaak. Mijn antwoord is tweevoudig: deze manier van redeneren helpt ons niet verder. En belangrijker nog: de onderliggende aanname klopt niet.

Wanneer scepsis omslaat in berusting

Dit soort vragen presenteert zich graag als realisme: nuchter, kritisch, wars van grootse beloftes. In werkelijkheid is het vaak fatalisme, het idee dat alles al vastligt, dat individuele en collectieve keuzes er niet toe doen en dat pogingen tot verandering bij voorbaat zinloos zijn.

Fatalisme leidt tot gelatenheid. Waarom zou je überhaupt een poging doen iets te veranderen aan de wereld als de uitkomst toch vaststaat? Het is een comfortabele houding, maar ook een verlammende. Ze houdt de status quo in stand, of die nu goed is of slecht. Als Aletta Jacobs, de bekendste Nederlandse voorvechter van vrouwenrechten, fatalist was geweest, had ik misschien dit bericht niet zitten typen.

Macht is niet uit de lucht komen vallen

Het idee dat “wij” niets kunnen en grote technologiebedrijven alles bepalen, is historisch onjuist. Het internet is niet ontstaan dankzij big tech, maar als academisch experiment. Universiteiten waren decennialang de motor achter netwerken, standaarden en samenwerking. Mijn eigen organisatie laat dat zien. Onlangs dook ik in de geschiedenis van SURF en zette ik de belangrijkste mijlpalen op een rij:

  • De wortels gaan terug tot het begin van de jaren zeventig, toen de Universiteit van Amsterdam, de Vrije Universiteit Amsterdam en het toenmalige Mathematisch Centrum (nu het Centrum Wiskunde & Informatica, CWI) samenwerkten om computerfaciliteiten voor complexe berekeningen mogelijk te maken.
  • In de jaren tachtig organiseerden Nederlandse universiteiten zich om deze samenwerking structureel vorm te geven. Dat leidde in 1987 tot de oprichting van de stichting SURF en in 1988 tot de start van SURFnet als landelijk academisch netwerk, dat ook internationale verbindingen onderhield, onder meer met het Amerikaanse NSFnet.
  • In 2002 lanceerde SURF eduroam, waarmee studenten en medewerkers niet alleen gebruik kunnen maken van het wifinetwerk van hun eigen instelling, maar ook van dat van duizenden andere instellingen wereldwijd – gemakkelijk en veilig met één account.
  • In 2007 volgde de SURFfederatie, de voorloper van het huidige SURFconext: internationaal een van de eerste identiteitsfederaties waarmee gebruikers met hun instellingsaccount konden inloggen bij clouddiensten van verschillende leveranciers.
  • Na de onthullingen van Edward Snowden vroegen universiteiten SURF in 2014 om een alternatief voor commerciële clouddiensten zoals Dropbox. Dat resulteerde in SURFdrive, gebaseerd op open-source technologie, met nadruk op privacy, autonomie en publieke waarden.

Dat zijn geen voetnoten uit een ver verleden. Het zijn voorbeelden van wat collectieve organisatie kan opleveren. Ze laten zien dat technologische macht niet vanzelf ontstaat, maar wordt georganiseerd.

Ja, de macht is verschoven, maar niet voorgoed

Natuurlijk heeft met de commercialisering een machtsverschuiving plaatsgevonden. We zijn afhankelijk geworden van gesloten ecosystemen waarin besturingssystemen, app-stores en cloudplatforms bepalen wat mogelijk is. Data zijn een strategisch bezit geworden. Dat is allemaal waar. Maar twee dingen worden daarbij vaak vergeten:

  1. Dit is geen natuurwet. We hebben deze afhankelijkheid grotendeels zelf gecreëerd, uit gemak en kortetermijndenken.
  2. Wat is opgebouwd, kan ook worden afgebouwd.

Wat we toen konden, kunnen we nu weer

Het is niet te laat om het tij te keren. De basis is er nog: samenwerking tussen universiteiten, eduroam, SURFconext, SURFdrive. De mensen met de expertise die we nu hard nodig hebben, zijn er ook nog. Soms zitten ze mopperend achter hun bureau, met een air van “I told you so” (en terecht!). Maar ze zijn er. En als we ze een mooie opdracht geven, staan ze klaar.

Begin jaren tachtig liep Nederland achter op andere landen op het gebied van ict. Het ministerie van Onderwijs stelde toen vijf miljoen gulden beschikbaar voor een samenhangend stelsel van landelijke en lokale ict-voorzieningen. Er kwamen een meerjarenplan en een begeleidingscommissie. The rest is history.

Wie vandaag zegt dat alternatieven zinloos zijn omdat de macht toch elders ligt, vergist zich. Niet omdat de problemen klein zijn, maar omdat verandering altijd begint met mensen die weigeren fatalisme voor realisme aan te zien.

Wat we toen konden, kunnen we nu weer – als we besluiten het ook echt te doen.