Federatie en de schijnkeuze tussen Microsoft en Google
De meeste instellingen doen mee aan onze Nextcloudpilot omdat ze willen verkennen hoe ze digitaal autonomer kunnen worden.
Naarmate de pilot vordert, wordt steeds duidelijker dat onder die ambitie nog een andere behoefte schuilgaat: onderzoekers, docenten en studenten willen zich vrij kunnen bewegen tussen instellingen. Onderzoekers werken samen in consortia, docenten ontwikkelen gezamenlijk onderwijs en studenten volgen steeds vaker vakken buiten de muren van hun eigen instelling.
Dat brengt ons bij een begrip dat veel ouder is dan de cloud: federatie.
Wat is federatie?
Als Trekkie denk ik bij een federatie aan de United Federation of Planets uit Star Trek. Honderden beschavingen werken samen op het gebied van wetenschap, diplomatie en veiligheid. Ze vormen samen één verband, maar behouden hun eigen bestuur, cultuur en identiteit.
Dat is de essentie van een federatie: samenwerking zonder centralisatie. De deelnemers spreken af hoe zij samenwerken, maar niemand hoeft zijn zelfstandigheid op te geven. Een federatie zoekt daarmee een middenweg tussen volledige onafhankelijkheid en volledige integratie.
Hoewel het begrip vaak wordt gebruikt voor staten en politieke verbanden, is het federatieve principe ook toepasbaar op IT. Dat geldt zeker voor sectoren als onderwijs en onderzoek. Instellingen werken intensief samen, maar willen hun eigen identiteit, processen en verantwoordelijkheden behouden.
Des te opvallender is het dat onze digitale samenwerkingsomgevingen veel minder federatief zijn georganiseerd dan de instellingen die ervan gebruikmaken.
Het Microsoft-model: kiezen tussen silo’s of monocultuur
Microsoft kiest voor een model waarin iedere instelling een eigen omgeving krijgt. Dat past goed bij de manier waarop instellingen zijn georganiseerd. Ze behouden controle over hun gebruikers, gegevens, beveiligingsbeleid en inrichting.
In theorie kunnen gebruikers uit verschillende Microsoft-omgevingen met elkaar samenwerken. In de praktijk blijkt dat minder vanzelfsprekend. Instellingen hanteren verschillende beveiligingsrichtlijnen, maken uiteenlopende keuzes in hun inrichting en zijn niet altijd bereid om de benodigde vertrouwensrelaties aan te gaan.
Het gevolg is dat de grenzen van de instelling meestal samenvallen met de grenzen van de samenwerkingsomgeving. Zo ontstaan silo's: goed georganiseerde samenwerkingsomgevingen binnen instellingen, maar met relatief hoge drempels tussen instellingen.
Wanneer instellingen die drempels wel wegnemen, wordt samenwerken over organisatiegrenzen heen een stuk eenvoudiger. Maar daar hangt een prijskaartje aan: iedereen moet Microsoft gebruiken.
De grenzen tussen instellingen vervagen dan, maar de afhankelijkheid van één leverancier neemt toe. Uiteindelijk ontstaat zo een monocultuur waarin samenwerking en leverancier onlosmakelijk met elkaar verbonden raken.
Het Google-model: één groot universum
Google kiest een fundamenteel andere benadering dan Microsoft en lost het silo-probleem radicaal op: er zijn geen silo's meer. Waar Microsoft samenwerking probeert te organiseren tussen afzonderlijke omgevingen, staat bij Google één gedeeld ecosysteem centraal.
Google richt zich niet alleen op instellingen, maar van oudsher ook rechtstreeks op individuele gebruikers. Instellingen en particulieren maken daardoor deel uit van hetzelfde ecosysteem. Studenten en medewerkers bewegen zich moeiteloos tussen hun rol binnen een instelling en hun privéleven. Veel gebruikers zijn al vertrouwd met deze diensten voordat zij een instelling binnenkomen en blijven ze ook daarna gebruiken.
Dat heeft een groot voordeel: samenwerken is eenvoudig. Bestanden, documenten en samenwerkingsruimtes kunnen gemakkelijk worden gedeeld met gebruikers van andere organisaties. Institutionele grenzen spelen daarbij een veel kleinere rol.
Maar ook deze vrijheid heeft een prijskaartje. Samenwerking wordt niet mogelijk gemaakt doordat verschillende omgevingen met elkaar samenwerken, maar doordat iedereen gebruikmaakt van hetzelfde platform.
Dat maakt Google in zekere zin het spiegelbeeld van Microsoft. Waar Microsoft instellingen voor de keuze stelt tussen silo's en monocultuur, kiest Google vanaf het begin voor het laatste.
De uitkomst is verrassend vergelijkbaar. Samenwerken wordt eenvoudig, zolang iedereen dezelfde leverancier gebruikt.
Het federatieve model: een derde weg
Tot nu toe kwamen we steeds uit bij dezelfde voorwaarde: samenwerken wordt eenvoudiger wanneer iedereen dezelfde leverancier gebruikt.
Wat als die voorwaarde niet nodig is? Instellingen behouden hun eigen omgeving, bepalen hun eigen beleid en kiezen zelf welke leverancier zij gebruiken. Tegelijkertijd werken onderzoekers, docenten en studenten samen over de grenzen van hun instelling heen.
In een federatie ontstaat samenwerking niet doordat iedereen hetzelfde systeem gebruikt, maar doordat systemen met elkaar samenwerken. Dat kan als platformen dezelfde taal spreken. Open standaarden vormen daarvoor de basis. Daarmee ontstaat een derde mogelijkheid naast silo's en monocultuur.
Tenminste, dat is de belofte. Een federatie werkt alleen wanneer meerdere leveranciers dezelfde open standaarden ondersteunen. Gebeurt dat niet, dan ontstaat alsnog een monocultuur, alleen via een andere route.
Het debat over digitale autonomie gaat te vaak over leveranciers en te weinig over standaarden. De vraag is uiteindelijk niet of we voor Microsoft, Google of Nextcloud kiezen. De vraag is of we samenwerking afhankelijk willen maken van een leverancier.
