Waarom ik niet meer in academische vrijheid geloof
Waarom begon ik ooit aan de universiteit te werken? Het korte antwoord luidt dat ik het geluk had een promotieplek te krijgen – zonder precies te weten wat promoveren inhield en zonder ervan overtuigd te zijn dat ik een carrière in de wetenschap wilde. Het lange antwoord vraagt meer uitleg.
Net als veel collega’s heb ik niet bewust voor de universiteit gekozen. Gaandeweg heb ik ontdekt dat ik me er thuis voel omdat er mensen werken die soortgelijke interesses en gedachtekronkels hebben. Ik zal een voorbeeld geven. Op een dag kregen mijn medestudenten en ik van onze docent taalpragmatiek de opdracht om een hypothetische conversatie te analyseren. Die bestond uit een vraag en een antwoord op die vraag:
Vraag: Zitten er koekjes in de trommel?
Antwoord: Er zitten koekjes in de trommel of chocolaatjes.
Onze opdracht was om te beargumenteren of deze reactie werkelijk een antwoord op de vraag is. Nu kan ik allerlei goede redenen bedenken waarom dit een nuttige opdracht was. Door de nuances van sociale interacties te bestuderen – wanneer zijn die succesvol en wanneer niet? – kunnen we bijvoorbeeld ontdekken hoe we machines beter met mensen kunnen laten communiceren. Maar om eerlijk te zijn kon het nut van de opdracht me geen bal interesseren. Ik was erdoor gegrepen, net zoals ik gegrepen was door de ideeën van Chomsky over een aangeboren taalvermogen en de hypothese van Sapir en Whorf die stelt dat de specifieke taal die we spreken invloed heeft op de manier waarop we de werkelijkheid waarnemen.
Het gebeurde niet meteen in het eerste jaar van mijn studie, maar gaandeweg ontdekte ik dat er andere mensen waren die óók gegrepen waren door zulke Grote Ideeën. Hoe langer ik aan de universiteit bleef, hoe meer ik van die mensen tegenkwam.
Nu ben ik een universitair docent met een vaste aanstelling en zijn de mensen om mij heen die zich graag bezighouden met Grote Ideeën in de meerderheid. We klieken samen in een omgeving waarin we ons afgeschermd wanen van de buitenwereld die geregeerd wordt door kleine ideeën, oftewel door ordinaire overpeinzingen zoals “Wat hebben we hieraan?”, “Wat moet dat kosten?” en “Kunnen we dit wel maken?”. Hoe zwaar het werk ook wordt, we kunnen ons altijd voorhouden dat we onze zogenaamde academische vrijheid nog hebben. Die vrijheid zien we als iets unieks. Alternatieve carrièrepaden lonken niet omdat zij ons tot slaaf maken van “bila’s voeren” en “agile werken”.
Inmiddels geloof ik niet meer in academische vrijheid. Er is de laatste weken veel geschreven over de crisis aan Nederlandse universiteiten. Eelco Runia legde uit waarom hij ontslag nam en hierop kwamen reacties met uitstekende analyses, zoals die van Mineke Bosch en Marijtje Jongsma. De problemen die zij signaleren zijn er inderdaad, maar de kern is volgens mij een gebrek aan tijd. Als je niet genoeg tijd krijgt om je werk te doen, dan blijft er weinig over om te kiezen en is vrijheid een wassen neus.
Dat werkt als volgt. Ik ben gegrepen door een Groot Idee en wil dat verwerken in een college zodat ik het uit kan diepen, reacties kan peilen en hopelijk studenten kan inspireren om zich in gedachten buiten gebaande paden te begeven. Ook wil ik graag onderzoek naar dit Idee doen. De praktijk is dat ik geen tijd heb om mijn college te herzien. Daarom houd ik maar hetzelfde verhaal als vorig collegejaar, want dan blijft er in ieder geval tijd over voor het onderzoek. Nou ja, er blijft tijd over voor het schrijven van een voorstel, want het daadwerkelijke onderzoek kan ik pas doen als iemand me er geld voor wil geven. Alleen moet ik ook nog een stapel papers nakijken, dus schrijf ik dat voorstel in mijn vrije tijd. Helaas wordt mijn vrije tijd opgeslokt door andere verplichtingen, zoals het begeleiden van promovendi en het geven van feedback op subsidieaanvragen en artikelen van collega’s. Misschien blijft er nog een klein beetje tijd over voor het schrijven van mijn voorstel, alleen is de honoreringskans lager dan 5%.
Zo werk ik een paar jaar en kom ik gaandeweg tot de conclusie dat ik niet toekom aan de Grote Ideeën. Ik vraag me af of dat aan mij ligt en zie dan dat de professoren om me heen snakken naar hun pensioen zodat ze eindelijk een boek kunnen schrijven over het Idee waar zij door gegrepen zijn.
In theorie houdt niemand ons tegen om te onderzoeken en onderwijzen wat we willen. Er is geen politicus of farmaceutische fabrikant die mij en mijn directe collega’s beknot of woorden in de mond legt, hooguit een opleidings- of beoordelingscommissie die van ons vraagt om onze plannen voor te leggen. Maar de afwezigheid van politieke en commerciële inmenging betekent nog geen academische vrijheid.
Ik kijk om me heen en zie dat menig leeftijdsgenoot die niet in de wetenschap zit meer vrijheid heeft dan ik en daarom heb ik ontslag genomen. Ik heb ontslag genomen omdat ik een baan wil waarin ik meer ruimte krijg, omdat ik in mijn vrije tijd mijn kinderen van school wil halen en omdat ik een compleet nutteloos boek over mijn favoriete televisieserie wil lezen. Want ook dat is vrijheid, tijd overhouden om tijd te verdoen.
